TECHNIEK & TACTIEK

Hier wordt de techniek en tactiek van het volleybal besproken. Het is onderverdeelt in verschillende hoofdstukken. Klik op een onderwerp om er heen te gaan.

Deel 1 - Lenigheid
Deel 2 - De verdediging
Deel 3 - De pass
Deel 4 - Het blok



Lenigheid

Uit vakliteratuur is het wel bekend geworden. Je kunt de kans op blessures verkleinen door goede rek en strekoefeningen te doen. Dit verhoogt namelijk de gewrichtslenigheid. Al onze trainers weten het en de meeste leden ook. Toch plaatsen we uit voorzorg een scala aan rekoefeningen op deze pagina, zodat iedereen nog even kan zien wat er eigenlijk mee bedoeld wordt. In de krant zag ik namelijk een aardige waarschuwing bij de ingang van een ziekenhuis: het betreden van dit pand kan de gezondheid ernstig schaden. Dus voorkomen is beter dan genezen.

Hieronder staan de beschrijvingen, van de verdediging tot aan de blok. Zowel de beschrijvingen als de achtergronden zijn ontleend aan lesmateriaal van CIOS Overveen.

  1. Kuitspier: deze rekken we door tegen de muur te leunen en één been achterwaarts te plaatsen. Druk de hiel langzaam tegen de grond en houd dit 10 seconden vol. De meeste volleyballers kennen deze oefening wel.
  2. Voorste dijbeenspier: pak je voet en druk die tegen je zitvlak, terwijl je het bekken naar voren duwt. 10 seconden aanhouden. Ook dat zie je de meeste mensen wel doen, alleen het naar voren duwen wordt vaak vergeten.
  3. Achterste dijbeenspier: plaats je linkervoet rechts van je rechtervoet en leun naar voren met je bovenlichaam. Je voelt het dan in je achterste dijbeenspier. Houd ook dit 10 seconden vol. Als je dit zittend doet koelen de andere spieren weer af door het contact met de vloer.
  4. Voorste heupspier: Kniel met één been naar voren en strek het andere been achterwaarts. Druk je heupen naar voren en leun daarbij op de knie.
  5. Binnenste heupspier: Plaats een been ver opzij en hurk daarop, terwijl het andere been gestrekt zijwaarts staat. Beweeg het bekken schuin naar beneden. Deze oefening wordt heel vaak vergeten of ook op de vloer gedaan.
  6. Achterste heupspier: houd je aan een object naast je vast, leun voorover en plaats één been met de enkel op je gehurkte knie. Buig het lichaam verder voorover en houd 10 seconden aan. Dit is wel een oefening die op de lachspieren kan werken…
  7. Rugspier: pak je knieholten met de beide onderarmen en buig diep voorover. Strek dan de knieën en beweeg de ronde rug omhoog. Houd dit 10 seconden vol.
  8. Verticale rompspier: plaats je linker voet rechts van je rechter en beweeg je bovenlichaam naar links terwijl je de armen boven het hoofd gestrekt houd en de polsen pakt. Buig je heup naar rechts en houd dit 10 seconden aan. Ook deze oefening wordt meestal overgeslagen.
  9. Borstspier: Steun met de linker hand tegen de muur, doe een stap naar voren met het linker been en druk de linker schouder naar voren.

Er zijn natuurlijk nog meer spieren die gerekt en gestrekt kunnen worden, maar met deze serie van negen heb je er toch wel een aantal die we veel belasten te pakken. Denk er wel om dat je lichaam het signaal van te ver rekken onmiddellijk geeft door middel van een pijnprikkel. Ga daar niet overheen! Rek dus altijd net tot de pijngrens.

 

Terug naar boven

De verdediging

Het lijkt op deze serie tekeningetjes alsof de speler zijwaarts beweegt bij zijn actie, maar dat is niet het geval. Het is gedaan om alle houdingen goed aan te geven. Je moet van rechts naar links de tekeningetjes bekijken en de lichaamshouding daarbij goed beoordelen.
  1. Je neemt in het meest rechtse plaatje eerst de algemene verdedigingshouding aan: de knieën licht gebogen, de armen los naast het lichaam en in afwachting van die harde klap plaats je de voeten iets breder dan je schouderbreedte.
  2. De set-up bepaalt de richting waarin je het lichaam draait, want je moet de bal recht op je af krijgen. Kies de positie die bij het systeem hoort en probeer de aard van de slag in te schatten. Kijk dus vooral erg goed, zodat je niet verrast wordt.
  3. Pas zo nodig je verdedigingspositie aan. Als de klap gegeven is kun je nauwelijks meer een andere positie innemen. Zoek dus voordat geslagen is de plek waar je de bal verwacht op en zet je alvast schrap, maar houd de hielen los van de vloer.
  4. Neem de lage verdedigingshouding aan en zorg ervoor dat je daarbij niet achterover leunt. De klap wordt nu ongeveer gegeven.
  5. In ongeveer 0,1 seconde moet je ervoor zorgen dat je lichaamszwaartepunt iets naar voren gebracht is, want dan kun je de harde bal beter opvangen. Hierbij bevinden je schouders zich voor je knieën. Ontspan die schouders ook en houd je armen niet te stijf. Je bovenbeenspieren spannen zich aan.
  6. In een reflex dien je de beide armen als een soort vlak tegen de bal moeten plaatsen. Het is niet nodig om de bal daarbij een zet te geven, je hoeft alleen maar de bal tegen te houden met als doel deze omhoog te laten springen in de richting waarin je hem wil hebben. Breng daarvoor beide armen tegen elkaar zodat de binnenkant van je onderarmen de bal zal raken.
  7. Zoals gezegd moet je armen niet strak aanspannen, maar juist ontspannen. Hoe harder de klap hoe meer je deze moet doodmaken met een ontspannen arm. Vang de bal niet op met de polsen, maar echt met de onderarm. Belangrijk is dat er een schepbeweging gemaakt wordt, zoals je ook een hap zand schept. Deze schepbeweging kan sterker zijn, naarmate de bal minder hard gespeeld wordt. Let erop er een soort contraspin nodig is als de bal wel hard geslagen is. Anders springt hij zomaar terug naar de tegenpartij.
  8. Je moet je daarna direct op de vervolgactie instellen: aanvalsdekking of misschien wel zelf aanvallen.
Terug naar boven

De pass

We vervolgen onze artikelenserie over technieken. In het vorige nummers stond iets over lenigheid en de verdediging, in dit nummer komt de pass aan bod. Dit keer ontlenen we de informatie weer aan het NVS Teamboek voor de C-jeugd. Via Jaap Conijn kwam dit in ons bezit.

Het begint ook nu weer met het kijken naar de bal en vooral het inschatten van de balbaan. De bal is over een lange afstand onderweg dus hoe eerder je weet hoe de baan zal verlopen hoe beter je deze kunt inschatten.

Je verplaatst je naar de positie die het gunstigst is om de pass te geven. Bedenk daarbij dat je het makkelijkst een pass geeft als je deze op heuphoogte speelt en niet te ver opzij hoeft te reiken.

Let op de uitgangsprincipes:

Basis

De verplaatsing naar de plek waar je de bal gaat spelen moet snel en efficiënt gebeuren, zorg dat je op het moment van spelen niet meer loopt. Je zoekt de balbaan op met de onderarmen bij elkaar en iets gebogen. Belangrijk is dat je die onderarmen niet te vroeg strak aanspant! De bal springt dan zomaar weg.

We gaan ervan uit dat je de bal rechts van het midden aan het net wil brengen. Daarbij onderscheiden we drie mogelijkheden:
  1. Je neemt de bal links van je lichaam: stap met je rechtervoet naar voren.
  2. Je neemt de bal recht voor je lichaam: houd beide voeten in een licht gespreide stand.
  3. Je neemt de bal rechts van je lichaam: stap met je linker voet naar voren.

In het eerste geval moet je de linkerschouder hoger hebben dan de rechter terwijl je de bal speelt. De onderarmen vormen een vlak waarmee je de bal in de gewenste richting stuurt: in een ruime boog in de richting van de spelverdeler. Ook nu geldt hoe harder de service hoe meer je de onderarmen moet ontspannen.

In het tweede geval hurk je iets door zodat je de balbaan goed onderschept. Ook nu moet je met de onderarmen als vlak sturen, zodat de bal ook nu in een ruime boog in de richting van de spelverdeler gaat, maar er is niet zo'n groot verschil in de schouderhoogte nodig. Deze techniek gebruik je alleen als je geen keus meer kunt maken tussen de bal rechts of links van je lichaam spelen.

In het derde geval moet je de rechter schouder iets hoger hebben dan de linker. De onderarmen vormen een vlak waarmee je de bal in de gewenste richting stuurt: in een ruime boog in de de richting van de spelverdeler. Ook nu geldt hoe harder de service hoe meer je de onderarmen moet ontspannen.

Belangrijk is de beweging die op het ontvangen volgt, het sturen zelf dus. Eén been bevindt zich achter: het strekbeen en één been bevindt zich voor: het standbeen. Stap vlak voor het spelen van de bal eerst in met het standbeen en gebruik het strekbeen om de na beweging goed uit te voeren. De armen bevinden zich onder een bijna rechte hoek met je bovenlichaam, zodat het echt lekker overdreven lijkt. Dan leer je pas de goede techniek aan. Je moet het opvatten als de bal echt opdienen zoals bij een dienblad.

Terug naar boven

Blokkering

In onze artikelenserie over de techniek komt deze keer de blokkering aan bod. Dit onderdeel van het volleybal wordt op de meeste trainingen enigszins als stiefkind behandeld en is daarom ook één van de oorzaken van minder goede prestaties van teams die wel capaciteiten hebben. Natuurlijk, de aanval is als onderdeel veel leuker en het oefenen ervan geeft vaak meer persoonlijke voldoening, maar een wedstrijd win je niet alleen met de aanval. Punten worden pas gescoord nadat er ook verdedigd wordt en de verdediging van het veld begint bij het net.

Het blok of liever de blokkering van de aanval is in de eerste plaats een kwestie van positie kiezen en daarna van timing. Verder is het belangrijk dat er een aantal afspraken worden gemaakt over de manier waarop het blok geformeerd wordt. Die afspraken stellen de veldverdediging in staat om die taak beter te vervullen. Verdedigen is dus een kwestie van team-work.

Zodra je als team een blok zet dien je bewust te zijn van het begrip zône-blok (commitblok) en van het begrip killing blok (see and respond blok). Een zôneblok gaat uit van de wetenschap dat er achter het blok een zône ontstaat die we de blokschaduw noemen. Dit is overigens alleen het geval als het geformeerde blok zich op de powerzône van de aanvaller richt en als het moment van blokkeren zo gekozen is dat de aanvaller een alternatief moet kiezen voor zijn hard ingeslagen bal. Dit laatste heet timing en is waarschijnlijk het moeilijkste onderdeel van de blokkering.

Met behulp van de blokschaduw is het voor verdedigers mogelijk om zich in te stellen op de alternatieven die de aanvaller moet kiezen. Kijken is daarbij een belangrijk aspect en ook voor de verdedigers geldt dat het innemen van de meest adequate positie het begin is van een goede verdediging.

Laten we eens uitgaan van de blokkering van een aanval op de meest voorkomende positie: positie II. Dit is de plek die we als verdedigend team rechtsvoor noemen en die dus voor het aanvallende team linksvoor is. De aanval gaat dus over de buitenaanvaller. Zodra de set-up gegeven is dient de middenblokkeerder zo goed mogelijk bij de buitenblokeerder aan te sluiten. De buitenblokkeerder dient daarbij te vermijden dat hij een beweging naar buiten maakt. Hij dient voordat hij zijn blok zet stabiel positie te kiezen ten opzichte van de plaats waar hij verwacht dat de tegenstander gaat slaan. De balbaan is daarbij een goed middel, maar belangrijk is ook dat de aanloop van de tegenstander goed in de gaten gehouden wordt. Die aanloop bepaalt namelijk de powerzône van die aanvaller. Het is de taak van de buitenblokkeerder om bij het kiezen van de blokkeerpositie die plaats te bepalen. Combineer de baan van de set-up met de aanloop van je tegenstander! Dat vereist kijken. In de theorie wordt dit ook wel aangeduid met split-vision, want je moet twee dingen tegelijk zien aankomen in een fractie van een seconde. Opperste concentratie is dus geboden!

De rol van de middenblokkeerder is essentieel voor een goed sluitend blok. Het kiezen van de positie dient door de buitenblokeerder te geschieden, maar het aansluiten is een probleem van de middenblokkeerder. Hij moet daartoe de kans dat de set-up op zijn middenman komt afwegen. Goede spelverdelers weten dat tot het laatste moment te camoufleren. In dat geval dient de middenblokkeerder een 60% blok op zijn middenman, die komt aanzweven te zetten. Ook hierbij kiest hij een posite die op de powerzône gericht is, zodat de tegenstander in het geval dat hij de set-up aangespeeld krijgt langs het blok moet gaan, naar posities die de verdedigers van de zijlijnen al innemen.

Maar goed, de set-up gaat nu niet naar de middenaanvaller, maar naar linksvoor. Het blok moet dus op positie II gezet worden. De buitenblokkeerder bepaalt zijn positie correct, de middenblokkeerder is maar net geland. Nu is dat landen essentieel voor het kunnen aansluiten. Als de set-up naar je rechterkant gaat moet je op je linkervoet landen, zodat je meteen kunt afzetten in de juiste richting. Je maakt dus direct na de landing op die voet een grote uitvalspas naar de buitenblokkeerder toe. Zo zet je de landingssnelheid direct om in een horizontale snelheid. Als je eerst even op beide benen neerkomt en pas daarna de uitvalspas maakt, ben je een kostbare 0,4 seconde kwijt en haal je het niet meer om aan te sluiten.

Zodra de middenblokkeerder de aansluiting met de buitenblokkeerder weet te maken en beide blokkeerders gaan gelijktijdig in de powerzône, is het uiteindelijke zetten van het blok, de stand van de vier handen dus, erg belangrijk geworden. De buitenblokeerder moet zijn beide handen zodanig in een kom vormen, dat deze kom in de richting van het midden van het speelveld van de tegenpartij wijst. Dit heeft natuurlijk totaal geen zin als de balbaan verder reikt dan de plaats waar je het blok zet. Je moet dus wel de powerzône van de aanval gekozen hebben. De middenblokeerder sluit bij die kom aan door met beide handen de kom af te maken. Ontspan die vier handen zo, dat je gemakkelijk de harde klap kan opvangen. Erg strak gespannen vingers leiden tot kneuzingen, souplesse is hierbij erg belangrijk. Breng de armen zo omhoog dat je ellebogen bij elkaar zitten en de beide handen slapjes op de polsen rusten. De beide duimen bevinden zich bijna verticaal naast elkaar, de vingers zijn losjes naar voren gebogen, maar niet te ver. Doe maar net of je de bal die je gaat voelen even over zijn kop aait.

Het kiezen voor de juiste timing noemde ik al het grootste probleem en dat is juist. Hoe vaak zien we niet dat er ondanks een juiste positie toch nog heel makkelijk gescoord wordt. Het blok is dan óf te vroeg, óf te laat. De timing is dus niet goed. Maar hoe doe je dat dan, timing? Welnu, het leer je dit zelf aan, door je op je persoonlijke tegenstander in te stellen. Die is namelijk gewend om op een bepaalde manier aan te lopen en op te springen. Als je niet oplet hoe die figuur dat doet, leer je nooit goed te timen. Iedere blokeerder die alleen de set-up in gaten zal moeite houden met het juiste moment van blokkeren kiezen. Alleen bij erg scherp gespeelde set-ups kan het dan nog wat worden, maar in de regel gaat het dan meestal fout. Je moet ervoor zorgen dat je een fractie van een seconde later omhoog gaat dan je tegenstander. Je bent dan in harmonie met zijn beweging. Ook moet je zijn reach (reikweidte) goed beoordelen. Hele slimme aanvallers zullen dit aspect optimaal benutten, maar je moet toch de powerzône opzoeken, dus alle frivoliteiten laat je in eerste instantie gewoon voor wat ze zijn. De verdediging zal dit probleem op moeten knappen. Zet je handen op het juiste moment in de richting van de slagarm en slaghand en laat ze naar het midden van het speelveld van de tegenpartij wijzen. Blijft de set-up hangen dan verplaats je je eerst naar de juiste positie en je springt recht omhoog. Bij een set-up naar de antenne sta je al op de juiste plek, want je kiest positie aan de buitenzijde. De middenman kan makkelijker bij je aansluiten als jouw positie stabiel is.

Terug naar boven

met dank aan Frits Roskam. Afkomstig van de Vcc92 site.